Voorbeelden van het gebruik van Zoontje in het Nederlands en hun vertalingen in het Frans
{-}
-
Colloquial
-
Official
-
Medicine
-
Financial
-
Ecclesiastic
-
Ecclesiastic
-
Official/political
-
Computer
-
Programming
Ik liet mijn zoontje 'Mad Max' kijken.
Mijn zoontje was zes jaar oud.
Ons zoontje met een buitenlands delirium!
M'n zoontje had honger.
Haar zoontje hoefde niet slim of knap te zijn.
Anders stel ik de Tsjetsjenen voor aan je nieuwe vrouw en zoontje.
Je moet je zoontje zien.
Wat heeft u een leuk zoontje.
We beginnen met je zoontje.
Mijn vrouw Aya en mijn zoontje… vijf jaar.
Voor je zoontje.
Ik heb je zoontje niets verteld.
Ik heb m'n vrouw en zoontje vandaag gezien.
Je vrouw en zoontje.
Hoe heet je zoontje?
Wat doet u met mijn zoontje?
Wat doen ze met mijn zoontje?
Ik ben je zoontje niet!
Ik heb niet eens een zoontje.
Het echtpaar Kennedy verliet het ziekenhuis met hun zoontje.