Voorbeelden van het gebruik van Heetten in het Nederlands en hun vertalingen in het Spaans
{-}
-
Colloquial
-
Official
-
Medicine
-
Financial
-
Ecclesiastic
-
Ecclesiastic
-
Official/political
-
Computer
-
Programming
Ze heetten Elias en Elsie Leach.
Ze heetten'de zeven zusters'.
Hoe heetten ze, je vrouw en je dochter?
Ja, alleen heetten het geen nanny's toen.
Ze heetten Willis.
Ze heetten de.
Ze heetten Tara en Melissa.
Ik weet niet hoe ze heetten.
Ze had schildklierkanker en een reeks Schnauzers… die allemaal Schnapps heetten.
zo heetten we.
Hun beider opvolgers heetten Johnson.
Leden van dit opperras heetten Ariërs.
Ik en een hoop mannen die Roman heetten.
Er woonden 25 katten bij Andy die allemaal Sam heetten.
Ik dacht dat ze Warsaw heetten.
En hun dochters heetten ook Marie.
Hoe zei je ook alweer dat ze heetten?
bloemen in het noorden heetten Freya's.
Hun beider opvolgers heetten Johnson.
Napoleon, Marie Antoinette en een heleboel koningen die allemaal Lodewijk heetten.