Voorbeelden van het gebruik van Marcheren in het Nederlands en hun vertalingen in het Spaans
{-}
-
Colloquial
-
Official
-
Medicine
-
Financial
-
Ecclesiastic
-
Ecclesiastic
-
Official/political
-
Computer
-
Programming
Pelgrims die marcheren onder het vaandel van Christus.
Hij en Urbino zullen naar het noorden marcheren.
Valdivia was zich ervan bewust dat marcheren zuiden.
Weet je, laat iemand anders maar marcheren.
U laat deze Franse legers naar Rome marcheren en doet.
Ik zeg dat we de wapens moeten grijpen en met z'n duizenden naar Londen moeten marcheren.
Ze laten de mensen niet marcheren op Tianmen Square.
Als Johnny naar huis komt marcheren.
Op het pad dat ze voor ons hebben verlicht, marcheren we naar de vrijheid.
Zelfs de hersenloze ademhappers van Padua High marcheren op de toon der gerechtigheid.
Laat die man marcheren.
Ik zeg dat we naar het gemeentehuis marcheren.
Marcheren dan maar.
De vrije mannen van de wereld marcheren samen naar de overwinning.'.
Ook mannen marcheren mee in de Burgerrechtenbeweging en zeggen.
We marcheren en betogen tegen de oorlog.
We zullen als leerlingen samen marcheren om voor ons leven te smeken.”.
Maar jullie marcheren dan als soldaten.
Marcheren… en zingen!
Franse troepen marcheren richting Rome.