QUE VIVÍA - vertaling in Nederlands

die leefde
que viven
que conviven
que habitan
que la vida
que estaban vivos
die woonde
que viven
que residen
que habitan
que moran
que asisten
que pueblan
die woont
que viven
que residen
que habitan
que moran
que asisten
que pueblan
die leefden
que viven
que conviven
que habitan
que la vida
que estaban vivos
dat leefde

Voorbeelden van het gebruik van Que vivía in het Spaans en hun vertalingen in het Nederlands

{-}
  • Colloquial category close
  • Official category close
  • Medicine category close
  • Financial category close
  • Ecclesiastic category close
  • Ecclesiastic category close
  • Official/political category close
  • Computer category close
  • Programming category close
No sabía que vivía aquí.
Ik wist niet dat u hier woonde.
Que vivía allí y que temen por sus puestos de trabajo.
Het was daar wonen en moeten vrezen voor hun baan.
Mintió. Cuando dijo que vivía sólo.
Hij zei dat hij alleen woonde.
¿Crees que vivía aquí?
Denk je dat ze hier woonde?
Su casero dijo que vivía solo.
Zijn huisbaas zegt dat hij alleen woonde.
Qué raro… parece que solo quería aparentar que vivía aquí.
Het is alsof hij alleen wilde laten lijken dat hij hier woonde.
Casi creerás que vivía aquí.
Je zou haast denken dat ik hier woon.
Dijo que su nombre era Jake y que vivía en Cleveland, OH.
Hij zei dat zijn naam was Jake en dat hij leefde in Cleveland, OH.
no sabía que vivía allí.
ik niet wist dat hij daar woonde.
¿Conoces a Ryan, el tipo que vivía al otro lado del pasillo?
Je kent Ryan wel? Die tegenover jou woonde?
Era un marino estadounidense que vivía con una japonesa.
Het ging over een Amerikaanse matroos die hokte met een Japanse.
La Peste Negra la causó una bacteria que vivía de ratas.
De pest werd veroorzaakt door bacteriën die leefden op vlooien die leefde op ratten.
No nos dijiste que vivía junto.
Je hebt me niet verteld dat hij hiernaast woonde.
Uh, sé que era un profesor de matemáticas mal pagado que vivía en una vieja casa agujereada que vale menos que unos de mis coches.
Dat hij een slecht betaalde wiskunde leraar was, die leefde in een lekkend oud huis dat minder waard is dan één van mijn sportauto's.
La vieja Mujer: Una señora mayor que vivía en Imado(este de Tokio)
Een oude dame die woonde in Imado in Oost-Tokyo,
Trish Dailey fue la ex-novia de Cole MacGrath, que vivía y trabajaba en Empire City como enfermera antes de la explosión.
Cole MacGrath's vriendin, die leefde en werkte in Empire City als verpleegkundige voorafgaand aan de explosie.
Había una vez un chino errante llamado Cheng Huan… que vivía en Limehouse, y una chica llamada Shirley.
Er was een zwervende Chinees genaamd Cheng Huan die woonde in Limehouse, en een meisje dat Shirley heette.
Una mujer momificada, de unos 40 años que vivía en lo que hoy es Perú,
Een gemummificeerde, vrouw van midden veertig die leefde in wat nu Peru is tussen 1.100
este era un animal que vivía con leones de cueva
dit was een dier dat leefde met grotleeuwen en mammoeten
Un capitán intrépido de Halifax que vivía en el campo Traicionó a una dama que se ahorcó una mañana con su liga.
Een dappere kapitein in Halifax die woonde op het platteland… hij belazerde een meid, en zij verhing zich op een morgen.
Uitslagen: 184, Tijd: 0.0604

Woord voor woord vertaling

Top woordenboek queries

Spaans - Nederlands