Voorbeelden van het gebruik van De week in het Nederlands en hun vertalingen in het Duits
{-}
-
Colloquial
-
Official
-
Medicine
-
Ecclesiastic
-
Financial
-
Ecclesiastic
-
Computer
-
Official/political
-
Programming
Dit is al de derde week.
Het is twee weken geleden. De week voordien.
Dat wordt met de week makkelijker.
Ze zit in de vijfde week.
Zaterdag, maandag, donderdag, de week daarvoor.
Om de week.
Ik had een droom die leek op die van de vorige week.
Dan is er hier om de week familie.
Op een strand in Florida. De vorige week.
We verhuisden om de andere week.
Ik heb hem de hele week gezocht en zij heeft hem aan.
De week erna begint de school weer.
Middenin de week?
De eerste week van iedere behandeling wordt u voor chemo opgenomen.
De week schorsing is verplicht.
Iemand als jij heeft binnen de week een netwerk, in de gevangenis.
De hele week ben ik nog niet zo dicht bij een OK geweest.
Eind van de week heb ik meer.
Ik volbreng de week op kantoor, en dan.