Voorbeelden van het gebruik van Hard werken in het Nederlands en hun vertalingen in het Duits
{-}
-
Colloquial
-
Official
-
Medicine
-
Ecclesiastic
-
Financial
-
Ecclesiastic
-
Computer
-
Official/political
-
Programming
Hard werken of werkt amper?
Hard werken is goed,
Pak maar aan, ik zal hard werken.
Zie je wel? Dit is hard werken.
Dan moeten we twee keer zo hard werken.
Het was hard werken, geloof me.
Als we hard werken, zei je.
Je moet hard werken, heel hard… om zo'n gevarieerde groep te vinden.
Wie zegt dat? Alsof hard werken er iets mee te doen heeft.
Laten ze je hard werken?
Liegen is hard werken.
Broers, we moeten hard werken.
Het is in elk geval hard werken. ls 't moord?
Ik zal hard werken vandaag.
Dank u. Moet je hard werken?
Een huwelijk is hard werken.
Maar met dat aquarium rondsjouwen is hard werken.
je moet hard werken.
Je gaat drie keer zo hard werken.
Die hard werken en willen slagen in het leven.