Voorbeelden van het gebruik van Het voorstellen in het Nederlands en hun vertalingen in het Duits
{-}
-
Colloquial
-
Official
-
Medicine
-
Ecclesiastic
-
Financial
-
Ecclesiastic
-
Computer
-
Official/political
-
Programming
Je kunt het voorstellen.
Wat moet het voorstellen?
Ik zal het voorstellen.
Ik zal het voorstellen.
Ik wilde het voorstellen.
Ik blijf het voorstellen tot dat je er zelf opkomt.
Kun je het voorstellen?
Kan je het voorstellen?
Kun je het je voorstellen, zoon?
Het voorstellen, en eventueel coördineren
Kun je het je voorstellen?
Kun je het voorstellen, dat er iets gebeurt met iemand die je lief hebt?
Ik kan het me voorstellen.
Kun je het voorstellen?
Kun je het je voorstellen? Geen Ibuprofen?
Kan je het voorstellen?
Kun je het je voorstellen, zomaar gescheiden worden van je kleine zusje?
Je moet het je voorstellen.
Kan je het voorstellen?
En kun je je het voorstellen?