Voorbeelden van het gebruik van Kus geven in het Nederlands en hun vertalingen in het Duits
{-}
-
Colloquial
-
Official
-
Medicine
-
Ecclesiastic
-
Financial
-
Ecclesiastic
-
Computer
-
Official/political
-
Programming
Ik wil naar huis en mijn zoon een kus geven.
Mag mama je geen kus geven?
Ik ga je een kus geven.
Laat me je een kus geven. Bedankt.
Ik wou je gewoon een kus geven.
Ik moet hem een kus geven.
Ik wilde je een kus geven.
Naar huis en Laurel een kus geven.
De heer wil je een kus geven.
Ik wil je alleen maar een kus geven.
Ik wil je eerst een kus geven.
En je een kus geven.
Laat me je een kus geven.
Hij moest haar een laatste kus geven.
Laat mama je een kus geven.
Mag ik je geen kus geven?
Die we elke avond een kus geven met mama?
Ik wil je geen laatste kus geven, maar een tweede eerste.
En je moeder een kus geven voor ze weggaat ook.
En je komt me 'n kus geven.- Dag, papa.
