Voorbeelden van het gebruik van Lekker in het Nederlands en hun vertalingen in het Duits
{-}
-
Colloquial
-
Official
-
Medicine
-
Ecclesiastic
-
Financial
-
Ecclesiastic
-
Computer
-
Official/political
-
Programming
Lekker op z'n stoel blijven zitten.
Hij ruikt zo lekker nieuw.- Ja.
Deze koekjes zijn zo lekker.
Maar hij is lekker.
Hij is lekker.
Die van mij ruiken lekker.
Zit je lekker te eten, Frank?
Hoe lekker ziet Mitchell eruit in deze foto?
Het ligt niet lekker, maar Bear heeft gelijk.
Ja?- Ze is lekker, of niet?- Ja?
Lekker warm. En vol haaien.
Het was zo lekker.
Een spritzer. Lijkt me lekker.
Hij is jong… succesvol en lekker.
Alexis… Lekker.
Lekker met spek, kaas en uien!
Lekker, die sigaar?
Lekker, nou moet ik iedereen in mijn eentje vermoorden.
Het is hier lekker warm.-Jeetje.
Ze is lekker, hè?