Voorbeelden van het gebruik van Nu bellen in het Nederlands en hun vertalingen in het Duits
{-}
-
Colloquial
-
Official
-
Medicine
-
Ecclesiastic
-
Financial
-
Ecclesiastic
-
Computer
-
Official/political
-
Programming
Een vriend zal je nu bellen.
Nee, ik wil hem nu bellen.
Je moet me nu bellen.
Admiraal, u moet hem nu bellen.
Zal ik hem nu bellen?
Waarin haar nu bellen je helpt. Drie.-Er bestaat geen wereld.
Hem nu bellen zou hypocriet zijn en… oneerlijk.
Ik wilde dit niet doen, maar ik ga m'n advocaat nu bellen.
Ik ga nu bellen.
Kan hij nu bellen?
Gaat u nu bellen,?
En ik kan nu bellen en het afzeggen als je wilt.
Kan hij nu bellen?
Iemand anders moet nu bellen, maar ik zie jullie snel.
Ik moet absoluut nu bellen.
Je kunt beter nu bellen.
Laat Charlie's assistent nu bellen.
Ik ga hem nu bellen.
Een van u moet nu bellen.
Ik moet haar nu bellen.