Voorbeelden van het gebruik van Slapen in het Nederlands en hun vertalingen in het Duits
{-}
-
Colloquial
-
Official
-
Medicine
-
Ecclesiastic
-
Financial
-
Ecclesiastic
-
Computer
-
Official/political
-
Programming
Ik legde m'n vingers op je slapen.
Maar ze wou slapen.
Ik moet in bad en slapen.
Maar ze slapen eindelijk. Vier.
Niet slapen, Deon. Wacht.
Slapen, waarom ben je aangekleed?
Waar slapen we vannacht?
Gewoon… gewoon een beetje bij… bij de slapen.
We moeten gaan slapen.
Nee, ik ga volgens mij slapen.
Ze kan bij mij op de bank slapen.
We slapen zelfs samen.
Slapen, waar is het kind?
En nu slapen of ik verkoop je speelgoed.
Maar in het weekend blijf ik meestal bij hem slapen, bij Irv's.
maar een bliksemstorm tussen mijn slapen.
Ik ga hier niet slapen.
Dave laat me in de bar slapen na sluitingstijd.
Hij wil met hem slapen.
Je gaat in de kelder slapen.