Voorbeelden van het gebruik van Vast gelijk in het Nederlands en hun vertalingen in het Duits
{-}
-
Colloquial
-
Official
-
Medicine
-
Ecclesiastic
-
Financial
-
Ecclesiastic
-
Computer
-
Official/political
-
Programming
U had vast gelijk.
Ja, je hebt vast gelijk.
Nee, je hebt vast gelijk.
Je hebt vast gelijk.
Je hebt vast gelijk.
Derek heeft vast gelijk.
Hij heeft vast gelijk.
Als een idioot. Ze heeft vast gelijk.
Ze heeft vast gelijk.
Hij had vast gelijk.
Je hebt vast gelijk.
Nee. -Je hebt vast gelijk.
Maar je hebt vast gelijk.
Hij had vast gelijk.
Ze heeft vast gelijk.
Vergeet dat niet. Je hebt vast gelijk.
Mijn moeder heeft vast gelijk.
Tante Line heeft vast gelijk.
En je hebt vast gelijk.
Je had vast gelijk.
