Voorbeelden van het gebruik van Gelijk in het Nederlands en hun vertalingen in het Duits
{-}
-
Colloquial
-
Official
-
Medicine
-
Ecclesiastic
-
Financial
-
Ecclesiastic
-
Computer
-
Official/political
-
Programming
Ze zouden gelijk moeten zijn.
Het ding loopt niet gelijk, dat is alles.
Magie gelijk aan die van jou, lieverd.
Ik breng 'm gelijk naar haar toe.
Ik laat het gelijk vullen.
Nee. Hij heeft gelijk.
Leg de Dacron bovenaan gelijk met de afgetekende punt.
Een metrische lengte-eenheid gelijk aan een tiende van een meter.
Had zelden gelijk maar nooit onzeker.
Hoe gelijk zijn ze?
Je kunt dat gelijk afvinken van je lijst.
Alledrie de mappen gelijk zijn: kopiëren vanuit C.
Maar ze zijn niet allemaal gelijk.
Die man van de FBI had gelijk.
Gelijke beloning voor gelijk of gelijkwaardig werk.
Gelijk aan twee hoogten, medianen
Dientengevolge, kan het voorvormen gelijk worden verwarmd
Heb ik gelijk of niet! Niet nu!
Hij wist gelijk dat het waar was.
Beide mappen gelijk zijn: Niets.