Voorbeelden van het gebruik van Zot in het Nederlands en hun vertalingen in het Duits
{-}
-
Colloquial
-
Official
-
Medicine
-
Ecclesiastic
-
Financial
-
Ecclesiastic
-
Computer
-
Official/political
-
Programming
Jij bent zot.
Ja, en een zot en zijn geld zijn haast gescheiden.
Ik ben verpleegkundige. Zot, hè?
Dat is zot.
Wil je nu zeggen dat ik zot ben?
Dat ik het beu was om de zot te spelen?
Je moeder is een zot.
Hij is zot maar familie.
maar het brandt als de zot.
Hij is zot maar familie.
Je vind dat niet een beetje zot?
Hij zot."Voor kamer 16.
Dooi' of ‘door' is een Middelnederlands woord voor zot.
Hij zot."Voor kamer 16." Geen kamer 16.
Dronken oude zot.
Ben jij zot?
misschien ook wel zot.
Zijn jullie zot?
Je vind dat niet een beetje zot?
Of kappen en zot.