Voorbeelden van het gebruik van Een feit in het Nederlands en hun vertalingen in het Engels
{-}
-
Colloquial
-
Official
-
Ecclesiastic
-
Medicine
-
Financial
-
Computer
-
Ecclesiastic
-
Official/political
-
Programming
De monetaire integratie is een feit.
Die aanname werd een feit.
In de EU is immigratie een feit.
Toen liet hij mij een eenvoudig feit beseffen.
De Brabantse Omwenteling was een feit.
Het is gewoon een interessant feit.
Briljant. Dat is een feit.
Hier is nog een feit.
Wat? Het is geen roddel, als het een feit is.
De baby was een feit.
Mijn minachting voor Monaco is een feit.
Het is een feit dat de gezondheidssector erg omvangrijk is en nog voortdurend uitbreidt.
Wat vandaag nog een feit lijkt, kan morgen volledig achterhaald zijn.
Het is een feit de communautaire wetgeving is nog onvolledig.
Het is een feit dat een product zich moet onderscheiden van de concurrentie.
Het is een feit dat de altviool mij heeft uitgekozen.
Dit is een feit wat duidelijk zou moeten zijn voor iedereen.
Het is een feit dat we veel voedsel verspillen.
Of dat een feit of fabel is, is niet duidelijk.