Voorbeelden van het gebruik van Gaan in het Nederlands en hun vertalingen in het Engels
{-}
-
Colloquial
-
Official
-
Ecclesiastic
-
Medicine
-
Financial
-
Computer
-
Ecclesiastic
-
Official/political
-
Programming
Wu en ik gaan bij de ziekenhuizen navragen.
Morgen gaan we door met kittens!
Wendy en Cartman gaan vechten na school!
Jij en Andrea gaan toch trouwen?
Waarom zou het me nu gaan storen?
Paul. Ik moet gaan, Raymond.
Iedereen kan verkleed gaan als zijn favoriete boekpersonage.
JP en Ruby gaan terug met het ambulancepersoneel.
We moeten gaan, Sofia. Nee.
Julien en ik gaan op huwelijksreis naar Italië.
Jij en ik gaan een deal maken.
Ja, meneer. We moeten gaan.
Ja, dat we kunnen gaan trouwen.
Ik moet nachten gaan werken.
Natalie en ik moeten gaan.
Ze gaan elke vier uur met ze naar buiten.
Ik ben degene gaan zoeken die in dit kasteel woont.
Ze gaan in dezelfde richting.
Lou en ik gaan een nieuwe man van je maken.
Ik kan gaan als ik wil.