Voorbeelden van het gebruik van Het leren in het Nederlands en hun vertalingen in het Engels
{-}
-
Colloquial
-
Official
-
Ecclesiastic
-
Medicine
-
Financial
-
Computer
-
Ecclesiastic
-
Official/political
-
Programming
Ze moeten het leren.
Op zeven, begon ik met het leren van kungfu.
Misschien kun jij het me leren.
Ik was Tom aan het leren dansen. Luister.
Sonny, je zal het nooit leren.
Kom hier. Je bent paaldansen aan het leren, toch?
Misschien kunnen jullie het me leren.
Ik was Tom aan het leren dansen. Luister.
Ze moet het leren.
Nee. Ik was aan het leren.
Misschien kan jij het hem leren.
Ik ben hem wat poëzie aan het leren.
Je moet het leren.
Misschien kun je me het leren.
Deze jonge beer is nog aan het leren.
Hij is me dat fantastische lied aan het leren.
Wel, dit is hoe we het leren.
Hij is nog aan het leren.
Eric, wat ben je haar aan het leren.