Voorbeelden van het gebruik van Een weekend in het Nederlands en hun vertalingen in het Frans
{-}
-
Colloquial
-
Official
-
Medicine
-
Financial
-
Ecclesiastic
-
Ecclesiastic
-
Official/political
-
Computer
-
Programming
Twee: een weekend blijven.
Een weekend lang worden surf-wedstrijden gehouden op het IJsselmeer bij Makkum.
Een weekend bestaat uit twee races van elk 100km.
Geniet hier een weekend met onze 3 kinderen.
Euro voor een weekend(2 nachten), ontbijt inbegrepen.
Het was een weekend trip.
Perfect voor een weekend vol bezichtigingen en winkelen.
Ik heb deze boerderij een weekend geboekt met mijn vrouw!
Ideaal voor een romantisch weekend of een gezellig, ontspannend weekend met de familie.
Voor mij betekent 16+ een weekend zonder zorgen met mijn tweede familie.
Wat een magisch weekend.
Hou je het wel een weekend uit zonder mij?
Een heel weekend in de auto met die ouwehoer.
Het is een weekend waar we het over hebben.
Ze is zelfs een weekend bij mij thuis geweest met kerst vorig jaar.
Het is een lang weekend.
Vivian is een weekend weg met Charles.
Het wordt een lang weekend.
Voor een weekend.
En nu ga je een weekend naar Mexico met haar.