Voorbeelden van het gebruik van Tehuis in het Nederlands en hun vertalingen in het Frans
{-}
-
Colloquial
-
Official
-
Medicine
-
Financial
-
Ecclesiastic
-
Ecclesiastic
-
Official/political
-
Computer
-
Programming
Het tehuis voor stervenden wordt niet alleen bewoont door doodzieken.
Dat tehuis zit vol sinds u heeft geoordeeld dat arm zijn een geestesziekte is.
Hij wil je in een tehuis stoppen waar niemand van je houdt.
Als ik u in een tehuis wilde hebben, zat u daar al!
Hij zit in een tehuis.
Je moet niet terug naar dat tehuis.
Ik ben in 'n tehuis opgegroeid.
gaat dat meisje in een tehuis belanden.
En dat komt uit iemand die m'n broertje in een tehuis houdt.
Ze at veel te veel in het tehuis.
stuurde je haar naar een tehuis.
Je hebt 'm slechts eenmaal bezocht in 't tehuis.
Z'n moeder zat in het tehuis voor ze stierf.
Natuurlijk niet, dit is geen tehuis.
Hij is ziek en zit in een tehuis.
Net als de kelder in het tehuis van opa.
mag je het tehuis bellen.
Die zit in een tehuis.
En oom stopt oma in 'n tehuis zodat ze niks zegt!
Bent u van het tehuis?