Voorbeelden van het gebruik van Ik moet werken in het Nederlands en hun vertalingen in het Spaans
{-}
-
Colloquial
-
Official
-
Medicine
-
Financial
-
Ecclesiastic
-
Ecclesiastic
-
Official/political
-
Computer
-
Programming
Ik moet werken, Vivien.
En ik zal me niet schuldig voelen, dat ik moet werken.
Het spijt me dat ik moet werken hier. Ik ben hier een correspondent.
Ik moet werken om mij levend te voelen.
Bobbie, ik moet werken.
Nee, ik moet werken.
Ongeloofelijk dat ik moet werken eer ik geld kan uitgeven.
Ik moet werken vandaag.
Ik moet werken, Dave.
Ik moet werken op vrijdag.
Dat wil niet zeggen dat ik daar moet werken.
Maar ik moet werken.
Ik moet werken, papa.
Zou ik graag willen, maar ik moet werken.
Het maakt me dan niet uit voor wie ik moet werken.
Ik moet werken.
Bedankt, maar ik moet werken.
