Voorbeelden van het gebruik van Je wonen in het Nederlands en hun vertalingen in het Spaans
{-}
-
Colloquial
-
Official
-
Medicine
-
Financial
-
Ecclesiastic
-
Ecclesiastic
-
Official/political
-
Computer
-
Programming
Wil je hier wonen?
Dus waar ga je nu wonen?
Blijf je hier wonen?
Hij kan naast je wonen en je zou het niet eens weten.
Wil je hier wonen?
Wou je hier wonen?
Waar ga je wonen, zoek een goedkope kamer.
Bij wie wil je wonen, Mark?
Komt ze bij je wonen?
Waarom kwam ze bij je wonen?
Er kan maar één vader tegelijk bij je wonen.
Ik kom bij je wonen.
Ik kom bij je wonen!
Laat me weer bij je wonen.
Maar waar ga je wonen?
Hier zul je wonen.
Ze kan zelfs naast je wonen!
Wil je wonen in de buurt van een van de beste stranden van Costa Blanca,
Wil je wonen in het prachtige stedelijke centrum van Moraira met toegang tot talloze winkels en restaurants?
Als deze bijen in je huis wonen, is het beter om de plek schoon en netjes te houden.