Voorbeelden van het gebruik van Onnozel in het Nederlands en hun vertalingen in het Spaans
{-}
-
Colloquial
-
Official
-
Medicine
-
Financial
-
Ecclesiastic
-
Ecclesiastic
-
Official/political
-
Computer
-
Programming
roken, onnozel doen.
Dat is onnozel.
Ben je echt zo onnozel?
Ze was niet onnozel, wat ze ook zeggen.
Doe niet zo onnozel.
Ja het was redelijk onnozel.
politieke campagnes weleens klein en zelfs onnozel lijken.
De mensen lachten hem uit en zeiden:"Wat onnozel!
Dit is onnozel.
Sommige mensen noemen het onnozel.
Bette is niet onnozel. Zij begrijpt het verschil tussen realiteit en fictie.
Zo onnozel is ze niet.
Ik voel me onnozel.
Je ziet er onnozel uit.
Dit is onnozel.
Dit is onnozel.
Jij bent onnozel.
Soms ben je een beetje onnozel.
Onnozel in de zin van onschuldig.
Ik voelde mij onnozel.