Voorbeelden van het gebruik van Tam in het Nederlands en hun vertalingen in het Spaans
{-}
-
Colloquial
-
Official
-
Medicine
-
Financial
-
Ecclesiastic
-
Ecclesiastic
-
Official/political
-
Computer
-
Programming
Jou zombies zijn aardig tam.
Deze kameel is zo tam dat iedereen erop kan rijden.
Tam ze in uw tuin.
Zo tam als een poesje.
Nog niet helemaal tam.
Hij kon tam zijn, of hij wilde en kan gevaarlijk zijn.
anders smaakt het te tam.
Wild, tam, van een goed ras, zwanger.
Hij was al tam, ik heb hem alleen doodgeschoten.
Te tam voor mijn smaak.
Gemakkelijk tam maken, en toont vei'volgens gehechtheid aan.
Weet u wie Tam vermoord heeft?
Tam Landgoed. Elf jaar geleden.
Dmitri was tam in bed, stoutmoedig in het leven.
Wij gebruiken Tam voor de levering van toebehoren voor het testen.
Hij doodt Tam en jullie laten hem leven?
Heeft Jack gezegd dat hij wist wie Tam gedood heeft?
Zoveel verdiende ik eraan om die Tam eieren te smokkelen.
worden zelfs dieren tam.
Bowlen is altijd tam.