GIVETH in Dutch translation

den
and
hath
nemo
cometh
geven
give
provide
indicate
care
show
hand
grant
pass
put
geeft
give
provide
indicate
care
show
hand
grant
pass
put
schenkt
give
pour
donate
grant
bestow
serve
offer
gift
pay
endow
doet
do
make
put
giveth
gaf
give
provide
indicate
care
show
hand
grant
pass
put
gegeven
give
provide
indicate
care
show
hand
grant
pass
put

Examples of using Giveth in English and their translations into Dutch

{-}
  • Colloquial category close
  • Official category close
  • Ecclesiastic category close
  • Medicine category close
  • Financial category close
  • Computer category close
  • Ecclesiastic category close
  • Official/political category close
  • Programming category close
The bank giveth and the bank taketh away.
De bank geeft en de bank neemt.
But the righteous sheweth mercy, and giveth.
Maar de rechtvaardigen tonen genade en geven.
God giveth, and God taketh.
God geeft en God neemt.
What Jillian giveth, Jillian taketh away.
Wat Jillian geeft, neemt Jillian weg.
Jillian taketh away. What Jillian giveth.
Wat Jillian geeft, neemt Jillian af.
What Jillian giveth, Jillian taketh away.
Wat Jillian geeft, neemt Jillian af.
The Lord giveth, and the bed taketh away.
De Heer geeft, en het bed neemt.
He giveth and he can taketh away.
Hij geeft en kan het afnemen.
Jillian taketh away. What Jillian giveth.
Wat Jillian geeft, neemt Jillian weg.
The Lord taketh, and the Lord giveth away.
De Heer neemt… en de Heer geeft.
The Lord taketh away. The Lord giveth.
En de Heer neemt weg. De Heer geeft.
The good shepherd giveth his life.
De goede herder geeft zijn leven.
I giveth it back.
Ik geef het zelf wel terug.
For you know i giveth and i taketh away.
Want je weet, ik geef en ik neem.
The Lord giveth and the Lord taketh away.
De Heer heeft gegeven en de Heer heeft genomen.
Only his cessation he giveth, and he is thoroughly healed.
Alleen zal hij geven hetgeen hij verzuimd heeft, en hij zal hemvolkomen laten helen.
But the righteous giveth and withholdeth not.
Maar de rechtvaardige zal geven, en niet inhouden.
That which any man giveth to the priest becometh his.'.
Wat iemand den priester zal gegeven hebben, zal zijne zijn.
The Corps giveth, the new Governor taketh away.
De Corps heeft gegeven en de nieuwe gouverneur heeft genomen.
The Lord giveth, Lord taketh away.
De heer geeft en de heer neemt het terug.
Results: 538, Time: 0.0575

Top dictionary queries

English - Dutch