Voorbeelden van het gebruik van Aanspraak in het Nederlands en hun vertalingen in het Duits
{-}
-
Colloquial
-
Official
-
Medicine
-
Ecclesiastic
-
Financial
-
Ecclesiastic
-
Computer
-
Official/political
-
Programming
Onze aanspraak op deze wereld heeft voorrang.
Italiaans, twee mensen verloren toekomst voor trucking en aannemers meer aanspraak.
Ik maak geen aanspraak op u.
Laten we kijken welke aanspraak de gravin heeft.
En je aanspraak opgeven.
Je hebt er geen aanspraak op.
Ik heb op niets aanspraak.
De VS hebben geen aanspraak.
Opstand, bloed, groot bord pap, rechtmatige aanspraak op troon.
Jouw aanspraak? Jouw aanspraak.
Iedereen heeft er aanspraak op.
Dat is mijn uitrusting daar daar baseer ik mijn aanspraak op.
Niemand heeft een betere aanspraak.
Je hebt er geen aanspraak op.
Van alle moeders… heeft geen aanspraak op mijn genegenheid.
Ik maak geen aanspraak op hem.
Als voormalige Commandant heb jij aanspraak op de troon.
Alle hebben er aanspraak op.
En of ik aanspraak op Engeland maak.
In theorie kunnen alle werknemers aanspraak op een werkloosheidsuitkering.