Voorbeelden van het gebruik van Hand geven in het Nederlands en hun vertalingen in het Duits
{-}
-
Colloquial
-
Official
-
Medicine
-
Ecclesiastic
-
Financial
-
Ecclesiastic
-
Computer
-
Official/political
-
Programming
Ik wil haar een hand geven.
Je gaf antwoord in het Engels en wilde me een hand geven.
Geen hand geven, thuis blijven
Laten we elkaar een hand geven.
Mag ik dan niemand een hand geven?
Hij wilde misschien niet iedereen een hand geven.
Knuffel of een hand geven?
Prima, willen jullie elkaar een hand geven?
Sorry, ik kan je geen hand geven.
Hoe? Als je de koning redt… zal ik je m'n hand geven.
Weet je waar dat vandaan komt, een hand geven?
Ik wil alleen maar even je een hand geven.
De leraar liet ons hem allemaal een hand geven ter afscheid.
Dr. Cochrane, mag ik u een hand geven?
Hij wilde echt niet iedereen een hand geven.
Je kunt iemand in China een hand geven.
Nou, ik zou je een hand geven.
Laat me je een hand geven.
Ik wilde u altijd al een hand geven.
In iemands ogen kijken, ik wil hem een hand geven.