Voorbeelden van het gebruik van Jezus in het Nederlands en hun vertalingen in het Duits
{-}
-
Colloquial
-
Official
-
Medicine
-
Ecclesiastic
-
Financial
-
Ecclesiastic
-
Computer
-
Official/political
-
Programming
Jezus, David. Gus?- Nee.
Jezus, Bird. Ik ben zo terug.
Uit naam van Jezus Christus, Heer en Verlosser, zend ik u heen. Wat?
Jezus, wat haat ik m'n moeder.
Jezus, Luke. Ik heb het uit liefde gedaan.
Jezus rekt zich graag uit.
Jezus, is dat een pistool?
Nu leidden zij Jezus van Kájafas naar het rechthuis;
Jezus, Roger. Ik geef het toe, oké?
Jezus, je armen.
Jezus, het lijkt of hij denkt
Van Jezus Christus.
Jezus, je hebt me niet verteld
Jezus, we… we… we moeten dat vieren.
Wuifde Jezus net naar me?
Jezus is gekleed in een blauw doek.
Maar Jezus gaf hij over tot hun wil.
Jezus, hij smaakt naar condoom.
Jezus, het is zo bloederig.
In Jezus naam bidden wij.