Voorbeelden van het gebruik van Keertje in het Nederlands en hun vertalingen in het Duits
{-}
-
Colloquial
-
Official
-
Medicine
-
Ecclesiastic
-
Financial
-
Ecclesiastic
-
Computer
-
Official/political
-
Programming
Hij heeft 'n keertje gezegd.
Laten we het nog een keertje doen.
Ze moest zich gewoon een keertje ontspannen.
Johno, misschien een enkel keertje, en Anna.
Om iets te zien… Eén keertje maar.
Als je wilt neem ik je een keertje mee.
Waarom één keer? Een keertje.
Kunnen we nog een keertje praten?
Een keertje.
Ander keertje.
Ja, een keertje.
Misschien kunnen we er een keertje gaan eten.
Alstublieft. Eén keertje maar.
Ik wil hem graag een keertje zien.
Goed, nog een keertje.
Met Lauren. Bel me 'n keertje terug.
Dit is echt niet je laatste kans. Eén keertje maar.
Ik wil een keertje met haar uit.
Één keertje?
We gaan allemaal een keertje dood, niet dan, agent? Ja?