Voorbeelden van het gebruik van Moet dit doen in het Nederlands en hun vertalingen in het Duits
{-}
-
Colloquial
-
Official
-
Medicine
-
Ecclesiastic
-
Financial
-
Ecclesiastic
-
Computer
-
Official/political
-
Programming
Je moet dit doen. En Tony.
Je moet dit doen, meneer Dan-T.
Ik moet dit doen, Mark.
Torstein, ik moet dit doen.
Ik moet dit doen.
Maar je moet dit doen.
Je moet dit doen.
Je moet dit doen.
Ik moet dit doen, Casper.
Stuart, ik moet dit doen.
Ik moet dit doen, Ik moet. .
Je moet dit doen, broeder.
Nate, je moet dit doen.
Nee Jij moet dit doen.
Ik moet dit doen Todd.
Denise, ik moet dit doen.
Jij moet dit doen.
Luister, ik moet dit doen.
Ik moet dit doen, Alfred.
Laat me los. IK moet dit doen, Will.