Voorbeelden van het gebruik van Moet ophangen in het Nederlands en hun vertalingen in het Duits
{-}
-
Colloquial
-
Official
-
Medicine
-
Ecclesiastic
-
Financial
-
Ecclesiastic
-
Computer
-
Official/political
-
Programming
Ik moet ophangen, maar bel me als je dit hoort?
Ik moet ophangen, Max.
Ik moet ophangen. En Bob?
Dat is mijn wisselgesprek. Ik moet ophangen.
Thomas, ik moet ophangen.
Lin. Ik moet ophangen.
Ik moet ophangen. Goed.
Sorry, ik moet ophangen. Varta?
Ik moet ophangen.
Oké, pap, ik moet ophangen. Van jullie allemaal.
Barbara. het spijt me maar ik moet ophangen.
Middernacht. Ik moet ophangen.
Luister, ik moet ophangen.
John, ik moet ophangen.
Luister… ik moet ophangen.
Ik moet ophangen.
Ik moet ophangen, lieverd.
Sorry, ik moet ophangen.- In bad.
Ik moet ophangen. M'n seminar gaat beginnen.
Ik moet ophangen, ik heb een deadline.