Voorbeelden van het gebruik van Narigheid in het Nederlands en hun vertalingen in het Duits
{-}
-
Colloquial
-
Official
-
Medicine
-
Ecclesiastic
-
Financial
-
Ecclesiastic
-
Computer
-
Official/political
-
Programming
Ik wil geen narigheid.
Ik wil geen narigheid.
Alexander zit in de narigheid.
Wijs ons de weg en bespaar jezelf een boel narigheid.
Soms word je achtervolgd door narigheid.
Ik wil hem geen narigheid geven.
Waarom?-We proberen narigheid te vermijden?
seks alleen maar narigheid brengt.
Een koe is een hoop narigheid in een leren zak.
Ik wil hier geen narigheid.
We willen geen narigheid.
We willen geen narigheid, Carlos.
De narigheid is dat hij al zo'n 25 jaar dood is.
Er broeide narigheid in Greendale.
Trouwens, al deze narigheid betekent eigenlijk helemaal niets.
Als die je narigheid bezorgt, verdraag die.
Er gebeurt een hoop narigheid sinds je hier bent.
Na die narigheid die je net uitgehaald hebt?
Geen narigheid deze keer.
Ze heeft veel narigheid gezien de laatste weken.