Voorbeelden van het gebruik van Narigheid in het Nederlands en hun vertalingen in het Spaans
{-}
-
Colloquial
-
Official
-
Medicine
-
Financial
-
Ecclesiastic
-
Ecclesiastic
-
Official/political
-
Computer
-
Programming
Ik heb wat narigheid over jouw burgemeester kandidaat, Clark Preston.
Hij zit in de narigheid. Alleen jij kan hem helpen.
Al je narigheid moest met haar verbranden.
Teveel narigheid. Teveel pijn.
Er zijn andere redenen voor onze narigheid die ons begripsvermogen ver te boven gaan.
De weg uit de narigheid is nooit zo eenvoudig
Hoe weten we dat deze narigheid niet al gebeurd is?
Maar… hij is degene die de narigheid over zich heen krijgt.
Week 3- narigheid.
Er moet vanavond iets goeds gebeuren, met al deze narigheid.
Een rijke vent overlijdt, en al het narigheid komt tevoorschijn!
Ik wilde niets zeggen door al die narigheid met Isabelle.
Die Verzets-schietpartij veroorzaakte een beetje narigheid.
Na al deze jaren en alle narigheid.
kunnen we voorbij deze narigheid.
Er is narigheid.
Wat voor narigheid?
Historisch Drogheda ligt in de buurt met zijn middeleeuwse verhalen van narigheid.
Hij wilde dat ik zijn maat liet weten dat hij uit de narigheid was.
Betekent dit nu dat ik eindelijk uit de narigheid ben?