Voorbeelden van het gebruik van Nu spreken in het Nederlands en hun vertalingen in het Duits
{-}
-
Colloquial
-
Official
-
Medicine
-
Ecclesiastic
-
Financial
-
Ecclesiastic
-
Computer
-
Official/political
-
Programming
Ze moeten u nu spreken.
De baas wil je nu spreken!
Farmer, mevrouw Goode wil je nu spreken. Geloof mij maar.
Ik moet Claudia nu spreken.
Zuster Jude. We willen haar nu spreken.
Ik moet hem nu spreken.
Directeur Bertram wil jullie nu spreken.
Ik wil hem nu spreken.
Meneer. Sparks wilt u nu spreken.
zal nu spreken.
Ik wil 'm nu spreken.
Ik wil hem nu spreken.
Hij wil je nu spreken.
Ik wil hem nu spreken.
Ik wil haar nu spreken.
Ik moet je nu spreken.
Ik wil haar nu spreken.
Ik moet u nu spreken.
Ik moet je nu spreken.
Ik moet jullie nu spreken.