NU SPREKEN - vertaling in Duits

jetzt sprechen
nu spreken
nu praten
nu hebben
nu bespreken
nu wat zeggen
sofort sprechen
nu spreken
onmiddellijk spreken
meteen spreken
direct spreken
meteen zien
nu zien
onmiddellijk zien
nu even
sofort sehen
nu zien
meteen zien
onmiddellijk zien
direct spreken
direct zien
onmiddellijk spreken
nu meteen spreken
meteen spreken
jetzt sehen
nu zien
nu kijken
nu ontvangen
nu spreken
maar zien
nu lijkt
nu bekijken
gaat zien
meteen zien
nu ontmoeten
reden sofort
jetzt reden
nu praten
nu hebben
nu spreken
nu bespreken
klaar om te praten
jetzt empfangen
nu ontvangen
nu zien
nu spreken
heute reden
vandaag praten
vandaag hebben
vandaag spreken
vandaag bespreken
nu spreken
heute sprechen
vandaag bespreken
vandaag spreken
vandaag hebben
vandaag praten
vandaag debatteren
nu bespreken
tegenwoordig spreken
nu spreken

Voorbeelden van het gebruik van Nu spreken in het Nederlands en hun vertalingen in het Duits

{-}
  • Colloquial category close
  • Official category close
  • Medicine category close
  • Ecclesiastic category close
  • Financial category close
  • Ecclesiastic category close
  • Computer category close
  • Official/political category close
  • Programming category close
Ze moeten u nu spreken.
Sie wollen Sie jetzt sprechen.
De baas wil je nu spreken!
Der Boss will dich sofort sehen.
Farmer, mevrouw Goode wil je nu spreken. Geloof mij maar.
Farmer, Schwester Goode kann Sie jetzt empfangen. Glaub mir.
Ik moet Claudia nu spreken.
Ich will Claudia jetzt sehen!
Zuster Jude. We willen haar nu spreken.
Wir wollen sie sofort sprechen. Schwester Jude.
Ik moet hem nu spreken.
Ich muss ihn sofort sehen.
Directeur Bertram wil jullie nu spreken.
Direktor Bertram will Sie jetzt sprechen.
Ik wil hem nu spreken.
Ich möchte ihn sofort sprechen.
Meneer. Sparks wilt u nu spreken.
Director Sparks will Sie sofort sehen. Sir.
zal nu spreken.
wird jetzt sprechen.
Ik wil 'm nu spreken.
Ich will ihn sofort sprechen.
Ik wil hem nu spreken.
Ich will ihn sofort sehen.
Hij wil je nu spreken.
Er will dich jetzt sprechen.
Ik wil hem nu spreken.
Ich muss ihn sofort sprechen.
Ik wil haar nu spreken.
Ich will sie sofort sehen.
Ik moet je nu spreken.
Ich muss dich jetzt sprechen.
Ik wil haar nu spreken.
Ich will Sie sofort sprechen.
Ik moet u nu spreken.
Ich muss Sie sofort sprechen.
Ik moet je nu spreken.
Agent ich muss Sie sofort sprechen.
Ik moet jullie nu spreken.
Ich muss euch sofort sprechen.
Uitslagen: 124, Tijd: 0.0591

Nu spreken in verschillende talen

Woord voor woord vertaling

Top woordenboek queries

Nederlands - Duits