Voorbeelden van het gebruik van Nu spreken in het Nederlands en hun vertalingen in het Engels
{-}
-
Colloquial
-
Official
-
Ecclesiastic
-
Medicine
-
Financial
-
Computer
-
Ecclesiastic
-
Official/political
-
Programming
Opgelet! De Slokopinator zal nu spreken.
Goed, nu spreken we gelukkig over jaren geleden.
Nu spreken we mijn taal!
Nu spreken wij over handelsbeleid.
Laat hem nu spreken of voor eeuwig zwijgen.
De beklaagde mag nu spreken.
Misschien wil je nu spreken?
We zouden zelfs niet nu spreken!
We willen u nu spreken.
Steve, jou wil ik nu spreken.
Met jouw toestemming wil ik nu spreken.
We moeten elkaar nu spreken.
Kan ik mijn cliënt nu spreken?
Wie daar moeite mee heeft, moet nu spreken.
Ik moet haar nu spreken.
Michael gaat nu spreken.
Zuster, ik wil dr. Braverman nu spreken.
Je kunt beter nu spreken.
Je kunt beter nu spreken.
die zijn en zal nu spreken.