Voorbeelden van het gebruik van Afspraak in het Nederlands en hun vertalingen in het Spaans
{-}
-
Colloquial
-
Official
-
Medicine
-
Financial
-
Ecclesiastic
-
Ecclesiastic
-
Official/political
-
Computer
-
Programming
Eén of andere afspraak die ze hadden.
Hoe afspraak met de dokter in Perm.
Ik heb een afspraak met Alex Prout.
Afspraak met de gidsen op de kaai van de zeven martelaren.
Tijd, en de afspraak overlapping is zeker niet gelukkig.
Ze nam wat vrijaf vorige week, afspraak met de dokter.
Ze moet een afspraak gehad hebben met iemand anders.
Ik zie je bij je afspraak volgende maand.
Wilt u die afspraak na drie weken in functie al opzeggen?
Ik belde voor een afspraak. Je belde niet terug.
Ik heb een afspraak met een arts.
Corruptie is een illegale afspraak tussen twee of meer personen.
Hij heeft geen afspraak met de duivel zoals ik.
We hebben een afspraak met mr. Plympton.
Ik heb een afspraak met mijn zus super vroeg.
Ze heeft een afspraak met iemand die wél eng is.
Ik heb een afspraak met Mr Squirrel bij de grote boom.
Tucker en ik hebben een afspraak om weg te blijven van die troep.
Steven en ik hebben die afspraak gemaakt, voor een echte reden, Leo.
Een afspraak is niet nodig.