CASADO - vertaling in Nederlands

getrouwd
casar
matrimonio
boda
se casa
casarnos
gehuwd
se casan
matrimonio
huwelijk
matrimonio
boda
casamiento
matrimonial
casar
getrouwde
casar
matrimonio
boda
se casa
casarnos
trouwen
casar
matrimonio
boda
se casa
casarnos
trouwde
casar
matrimonio
boda
se casa
casarnos
gehuwde
se casan
matrimonio
huwen
se casan
matrimonio

Voorbeelden van het gebruik van Casado in het Spaans en hun vertalingen in het Nederlands

{-}
  • Colloquial category close
  • Official category close
  • Medicine category close
  • Financial category close
  • Ecclesiastic category close
  • Ecclesiastic category close
  • Official/political category close
  • Computer category close
  • Programming category close
Mira, su hermano ya esta casado.
Kijk, je dekhengst broer trouwt met 'r.
Todo el reino quiere verte casado con la… muchacha correcta.
Het hele volk wil dat je met 'n leuk meisje trouwt.
Que está casado con.
Die getrouwd is met.
Está casado con Amanda quién sabe qué?
Die getrouwd is met Amanda van de karbonades?
A largo plazo o matrimonio Casado(a) Tu raza: Otro.
Langdurig of huwelijk Gehuwd Jouw ras: Anders.
Este tipo casado me acaba de dar su número de teléfono.
Deze getrouwde man gaf me gewoon zijn telefoonnummer.
Quien está casado y no estaba teniendo una aventura conmigo.
Die getrouwd is en geen affaire had met mij.
Casado, padre y abuelo.
Gehuwd, vader en grootvader.
Hombre casado no pudo resistir(9).
Getrouwde man kon niet weerstaan(9).
Versos 32-33 Quien está casado tiene inquietudes.
Verzen 32-33 Wie getrouwd is, heeft zorgen.
Y?- Casado. Su mujer está interesada en restaurar la villa.
Hij is getrouwd en z'n vrouw wil de villa restaureren.
Un hombre casado, que rompe con su amante, y vuelve con su esposa.
Getrouwde man geeft z'n maitresse de bons en keert terug naar z'n vrouw.
Está usted casado Grayson?
Ben je getrouwd Grayson?
Casado; cuatro hijos adultos.
Gehuwd en vader van vier volwassen kinderen.
¿Es casado?
Convicto casado con toda otra familia.
Getrouwde veroordeelde met een heel ander gezin.
Casado; cuatro hijos.
Gehuwd; vier kinderen.
Saldrá una ley que dice que si estás casado no pueden mandarte a Vietnam.
Er komt 'n wet: wie getrouwd is, hoeft niet naar Vietnam.
Usted es casado,¿no?
Jij bent de man, toch?
Puma casado obtiene su recto arruinado por una pitón masiva.
Getrouwde puma krijgt haar rectum vergaan door een enorme python.
Uitslagen: 6199, Tijd: 0.349

Top woordenboek queries

Spaans - Nederlands