ACCOUCHER - vertaling in Nederlands

bevallen
accoucher
plaire
aimer
donner naissance
accouchement
baby
bébé
enfant
nourrisson
bebe
nouveau-né
geboorte
naissance
nativité
naître
baren
donner naissance
enfanter
accoucher
lingots
porter
bevalling
accouchement
travail
naissance
livraison
parturition
couches
accouchées
post-partum
mise-bas
kind
enfant
gosse
gamin
bébé
fils
fille
garçon
môme
uitgerekend
calculer

Voorbeelden van het gebruik van Accoucher in het Frans en hun vertalingen in het Nederlands

{-}
  • Colloquial category close
  • Official category close
  • Medicine category close
  • Financial category close
  • Ecclesiastic category close
  • Ecclesiastic category close
  • Official/political category close
  • Computer category close
  • Programming category close
Il faut accoucher.
Het kindje moet eruit.
Aimerais-tu accoucher dans mon émission?
Ik wil graag dat je live in mijn programma bevalt.
Faire une fausse couche signifie accoucher trop tôt.
Een miskraam hebben betekent te vroeg baren.
Elle vient d'accoucher.
Ze is net bevallen.
Elle est en train d'accoucher, crétin.
Ze is aan het bevallen, idioot.
Allons accoucher.
Ma femme venait d'accoucher.
Mijn vrouw was net bevallen.
Tu es en train d'accoucher. Calme-toi.
Je bent aan het bevallen, gekkie.
Je suis un peu inquiète d'accoucher au milieu d'une ville contaminée.
Ik ben een beetje bezorgd om te bevallen in het midden van Afzonderstad.
Tu ne vas pas accoucher de ma petite fille a l'arrière d'une limousine!
Mijn kleindochter komt niet ter wereld op de achterbank van een limousine!
Gail l'idiote veut pas que ce soit moi qui fera accoucher notre enfant.
Gail-domkop… wil niet dat ik de bevalling van mijn eigen kind doe.
Tu viens d'accoucher.
Jij bent net bevallen.
D'autres n'envisagent même pas d'accoucher sans anesthésie.
Anderen denken er niet aan te bevallen zonder verdoving.
Une capacité accrue d'accoucher sans assistance et sans porter préjudice à la santé.
Beter in staat om te bevallen zonder hulp en zonder nadeel voor de gezondheid.
Elle venait d'accoucher.
Ze was net bevallen.
Quand doit-t-'elle accoucher?
Nou, wanneer is ze uitgerekend?
Et au moment d'accoucher, j'étais juste… en colère.
En tegen de tijd dat ik moest bevallen, was ik alleen nog kwaad.
Je viens d'accoucher, le moment est mal choisi!
Ik ben net bevallen. Dit is niet zo'n goed moment!
Elle est en train d'accoucher.
Ze is aan de arbeid.
Bridget est en train d'accoucher!
Bridget is aan het bevallen.
Uitslagen: 224, Tijd: 0.127

Top woordenboek queries

Frans - Nederlands