Voorbeelden van het gebruik van Hij moet dit in het Nederlands en hun vertalingen in het Duits
{-}
-
Colloquial
-
Official
-
Medicine
-
Ecclesiastic
-
Financial
-
Ecclesiastic
-
Computer
-
Official/political
-
Programming
Hij moet dit weten.
Hij moet dit alleen doen,
Hij moet dit van zijn vader horen.
Hij moet dit doen.
Hij moet dit tekenen.
Hij moet dit huis verlaten.
Hij moet dit van jou horen?
Hij moet dit weten.
Hij moet dit nu meteen weten.
Hij moet dit gemaakt hebben. Van Drosselmeyer.
Hij moet dit een keer horen.
Hij moet dit alleen uitvechten.
Hij moet dit doorlezen.
Hij moet dit zien.
Hij moet dit nu afmaken.
Hij moet dit drinken.
Maar hij moet dit weten.
Hij moet dit niet zien.
Hij moet dit alleen doorstaan.
Hij moet dit alleen doen. Nee.
