Voorbeelden van het gebruik van Straks in het Nederlands en hun vertalingen in het Duits
{-}
-
Colloquial
-
Official
-
Medicine
-
Ecclesiastic
-
Financial
-
Ecclesiastic
-
Computer
-
Official/political
-
Programming
Straks moeten we een uur staan.
Straks kan ik nooit meer opereren.
Straks breekt hij de voorruit.
Ga je straks mee naar de bouwmarkt?
Ze brengen u straks naar uw cabins.
Straks heb je 2,4 kinderen.
Je werkt straks elke dag van negen tot negen.
Straks moet ik met een pistool onder m'n kussen slapen.
Straks denken ze nog dat je het verzint.
Straks zegt hij dat hij onder druk heeft bekend?
Ik bel je straks terug.- De serveerster.
Straks volgt hij je naar huis.
Ik wil straks een foto zien.
Ik zie je straks om de Pepto-Biz te kussen.
Maar straks zijn we met z'n vieren.
Straks herken je me misschien niet meer.
Straks krijg ik een hartaanval.
Straks niet meer.
Straks vat ik het nog persoonlijk op.
Nee, straks wordt hij wakker.