Voorbeelden van het gebruik van Rennen in het Nederlands en hun vertalingen in het Frans
{-}
-
Colloquial
-
Official
-
Medicine
-
Financial
-
Ecclesiastic
-
Ecclesiastic
-
Official/political
-
Computer
-
Programming
Ze rennen, en er is geen mogelijkheid ze te stoppen.
Rennen, zo hard je kunt.
Rennen, meneer Bruce.
En jij, Tallulah, rennen.
Je moet rennen.
Ik… ik moest de halve weg rennen naar hier.
Wij rennen niet.
Rennen of sterven.
Gillen en rennen.
Duizenden mensen rennen.
Roan, rennen.
We moeten rennen.
Niks dat ik er niet af kan rennen.
Als we snel genoeg rennen, kunnen we ontsnappen.
Mijn advies aan jullie: rennen.
leid hen af, terwijl jullie naar Tracy's auto rennen.
Mooi… Het is mooi als ze rennen, hè?
Als hij hier zou zijn, zou hij wellicht enkel roepen,' Rennen!
Mensen zullen rennen.
Hé. Heb je een kind voorbij zien rennen?