Voorbeelden van het gebruik van Het zeggen in het Nederlands en hun vertalingen in het Spaans
{-}
-
Colloquial
-
Official
-
Medicine
-
Financial
-
Ecclesiastic
-
Ecclesiastic
-
Official/political
-
Computer
-
Programming
moet u het zeggen.
moet je het zeggen.
Lk wou het zeggen, maar je begon meteen over vroeger.
We moeten het zeggen.
Je weet wat je wilt maar je kan het niet zeggen?
Wat er ook is gebeurd, Data wil het niet zeggen.
U moet het wel zeggen.
Alleen ik kan het zeggen.
Kirsten, je moet het zeggen.
Hij moet het zeggen.
moet u het zeggen.
Laat het me zeggen, alstublieft.
Uitdrukkingen, of overdreven het gemeenschappelijke zeggen.
Hoeveel keer moet ik het zeggen?
Daarom kan je het niet zeggen.
Waarom kun je me niet aankijken en het zeggen?
Laat ik het anders zeggen.