HET ZEGGEN - vertaling in Frans

dire
zeggen
vertellen
opmerken
betekenen
parler
praten
spreken
vertellen
zeggen
gesprek
le répéter
zeggen
het herhalen
doorvertellen
prévenir
voorkomen
waarschuwen
vertellen
preventie
voorkoming
zeggen
inlichten
verwittigen
waarschuwing
bellen
avouer
bekennen
toegeven
zeggen
toe te geven
vertellen
opbiechten
bekend
belijden
het opbiechten
eerlijk
expliquer
uitleggen
uit te leggen
verklaren
vertellen
toelichten
zeggen
verklaring
leg
verduidelijken
toe te lichten
dit
zeggen
vertellen
opmerken
betekenen
dis
zeggen
vertellen
opmerken
betekenen
disant
zeggen
vertellen
opmerken
betekenen
annoncer
aankondigen
aan te kondigen
vertellen
melden
zeggen
meedelen
mededelen
adverteren
bekendmaken
aankondiging

Voorbeelden van het gebruik van Het zeggen in het Nederlands en hun vertalingen in het Frans

{-}
  • Colloquial category close
  • Official category close
  • Medicine category close
  • Financial category close
  • Ecclesiastic category close
  • Ecclesiastic category close
  • Official/political category close
  • Computer category close
  • Programming category close
Je moet het zeggen.
Tu dois parler!
Je moet het niet zeggen.
Ne lui dis pas.
Hij kan het zeggen, maar niemand accepteert het..
Il le dit peut-être, mais personne n'accepte ça. Très bien.
De manier dacht het zeggen van de dag voor September.
Way pensé en disant le jour pour septembre.
Sparky, ik zal het hem zeggen.
Sparky, laisse-moi lui parler.
Hij wil het niet zeggen.
Il ne dit rien.
De manier dacht het zeggen van de dag voor Januari.
Way pensé en disant le jour pour janvier.
Jij moet het hem zeggen.
Non, dis-lui, toi.
Maar je familie kun je het wel zeggen?
Tu peux en parler à ta famille?
De manier dacht het zeggen van de dag voor mei.
Way pensé en disant le jour pour mai.
Dus wat ben IK aan het zeggen wanneer IK dit zeg?.
Alors, qu'est-ce que JE dis lorsque JE dis cela?
Ms Baxter wil het niet zeggen maar ze is in een moeilijke positie.
Miss Baxter ne le dit pas, mais elle est en mauvaise posture.
Dan moet je het hem zeggen.
Ll faut lui en parler.
De manier dacht het zeggen van de dag voor April.
Way pensé en disant le jour pour avril.
Ik had het moeten zeggen, maar het is allemaal verleden tijd.
Je regrette de n'avoir rien dit, mais c'est du passé.
Nu kan ik het zeggen.
Maintenant, je te Ie dis.
Ik ga het zeggen.
Je continuerai de parler.
De manier dacht het zeggen van de dag voor Juni.
Way pensé en disant le jour pour juin.
We kunnen het niet zeggen.
On ne dit rien.
Maar jij moet het eerst zeggen.
Mais… Dis le en premier.
Uitslagen: 968, Tijd: 0.0664

Het zeggen in verschillende talen

Woord voor woord vertaling

Top woordenboek queries

Nederlands - Frans