HABITER - vertaling in Nederlands

wonen
vivre
résidence
emménager
habitat
habitent
résident
assistent
demeurent
fréquentent
logeren
rester
séjour
dormir
loger
habiter
la nuit
crécher
leven
vie
vivre
samenwonen
vivre ensemble
vivre
cohabitation
cohabiter
emménager ensemble
habiter ensemble
s'installer ensemble
cohabitants
woont
vivre
résidence
emménager
habitat
habitent
résident
assistent
demeurent
fréquentent
woon
vivre
résidence
emménager
habitat
habitent
résident
assistent
demeurent
fréquentent
woonachtig zijn
résidant
domiciliés
sont domiciliés
vivent
habiter
être résident

Voorbeelden van het gebruik van Habiter in het Frans en hun vertalingen in het Nederlands

{-}
  • Colloquial category close
  • Official category close
  • Medicine category close
  • Financial category close
  • Ecclesiastic category close
  • Ecclesiastic category close
  • Official/political category close
  • Computer category close
  • Programming category close
Qui donc a pu y habiter?
Hoe konden ze hier wonen?
Profondeur, habiter et attaquer les cadrans pour beaucoup de Control sur votre tonalité.
Diepte, stilstaan en aanval wijzerplaten voor tal van Control Over uw Toon.
Habiter Premium, votre agent immobilier de confiance.
BeWonen Premium, uw vertrouwde vastgoedmakelaar.
Habiter le bassin méditerranéen,
Bevolken het Middellandse Zeegebied,
Habiter à Monaco est attrayant du point de vue fiscal.
Belastingtechnisch is het wonen in Monaco aantrekkelijk.
Habiter dans une église, la nouvelle tendance?
Wordt wonen in een kerk een nieuwe trend?
Moi, j'aimerais habiter dans une maison si somptueuse.
Ik zou graag wonen in zo'n stijlvol huis met mooie dingen.
Et venir habiter la Nouvelle-Orléans.
Kom daarna naar huis in New Orleans.
Vous n'allez pas habiter le N 9?
Ga me niet zeggen dat je op nummer 9 gaat wonen?
Habiter ici avec Matt et toi, ça fait trop mal.
Het doet te veel pijn om hier met jou en Matt te wonen.
Il va falloir habiter chez des gens de la famille.
En zullen wij bij mensen uit onze familie moeten gaan wonen.
C'est l'inconvénient d'habiter dans une petite ville.
Dat is de mindere kant aan het wonen in een kleine stad.
Ton père a choisi d'é pouser une Amé ricaine et d'habiter ici.
Jou vader koos een Amerikaanse meid en ging hier wonen.
Tu pourrais pas habiter plus loin?
Kon je nog verder gaan wonen?
Kitty va habiter chez nous pendant un semestre.
Kitty zal bij ons verblijven dit semester.
Vous pourrez habiter là-bas.
Dan mag je daar gaan wonen.
Viens habiter chez Sarah et moi, on a de la place.
Je kan bij Sarah en mij verblijven er is voldoende plaats.
Je détestais habiter là-bas. Vraiment.
Ik vond het verschrikkelijk om er te wonen.
Il n'a pas l'air d'habiter ici, non?
Hij lijkt niet hier te wonen?
Pourquoi t'es venu habiter ici?
Waarom ben je hier gaan wonen?
Uitslagen: 425, Tijd: 0.3223

Top woordenboek queries

Frans - Nederlands