Voorbeelden van het gebruik van Huilen in het Nederlands en hun vertalingen in het Duits
{-}
-
Colloquial
-
Official
-
Medicine
-
Ecclesiastic
-
Financial
-
Ecclesiastic
-
Computer
-
Official/political
-
Programming
En ook huilen.
Ik ben één van die stoere mannen die kunnen huilen.
En zijn optreden zal je laten huilen.
Lachen, huilen, haar neus snuiten.
Jawel. Ik was aan het huilen en hij kon niet meer rijden.
En niet huilen, hoor je?
Niet huilen, Malone.
Hij zal huilen, smeken.
Ik kan huilen.
Señorita, nee. Niet huilen.
Jij kunt de kerstman aan het huilen brengen.
Niet huilen dus.
Wanneer ze huilen, huil je mee.
Ik was aan het huilen en hij kon niet meer rijden.
Alsjeblieft niet huilen, oma.
Vanavond mag er niemand huilen.
Hij moet huilen.
Ik wil hier niet huilen, maar oké.
Een vrouw die haar aan het huilen maakt.
Nee! Nee! Nu ga je huilen, toch?