Voorbeelden van het gebruik van Klaar in het Nederlands en hun vertalingen in het Duits
{-}
-
Colloquial
-
Official
-
Medicine
-
Ecclesiastic
-
Financial
-
Ecclesiastic
-
Computer
-
Official/political
-
Programming
Veiligheidscontrole is klaar, meneer.
Nee. Klaar voor het eten?
Ik wil klaar zijn voor de Dominion.
Zijn ze klaar op 't kerkhof?
Het is klaar, we kunnen naar huis.
Hij is klaar, dr. Paris.
Ik ben klaar met je negativiteit.
Klaar voor het feest?
Ik ben net klaar met mijn derde jaar.
Nu ik klaar ben met mijn experiment, laat ik het exemplaar vrij.
Ben je klaar voor je examen?
Klaar voor de teambriefing?
jullie zijn klaar.
we zijn klaar.
Ik zal klaar zijn.
Ik ben klaar met verliezen.
Scan- klaar ross, betty- lock-out.
Nu we klaar zijn met slijmen: hoe staat het met Steel Mountain?
Ik ben klaar voor u, meneer.
Francis, misschien als je klaar bent met je opleiding.