Voorbeelden van het gebruik van Schrikken in het Nederlands en hun vertalingen in het Duits
{-}
-
Colloquial
-
Official
-
Medicine
-
Ecclesiastic
-
Financial
-
Ecclesiastic
-
Computer
-
Official/political
-
Programming
Je deed me schrikken.
Je mag niet schrikken.
Het is schrikken, maar het komt goed. Diabetes?
Als ze schrikken, rennen ze altijd weg.
Niet schrikken.
Zakir, niet schrikken.
Vertrouw me. Niet schrikken.
En Cheryl liet mij schrikken.
Wat? Ze was bang dat we van haar…… zouden schrikken.
Ik weet dat het schrikken is maar Lacey komt terug goed. Suikerziekte?
Jullie hebben hem laten schrikken.
In dit programma maken kinderen hun moeder aan het schrikken.
We komen er aan, niet schrikken.
Jij niet, je doet me schrikken.
Je deed me ook schrikken.
Na de onderbreking… Aardbeving-veroorzakende metamens, laat inwoners schrikken en vragen zich af.
het kind zou schrikken.
zal men minder schrikken.
Je liet me schrikken.
Dat is wat je doet schrikken.