VERTROUWEN - vertaling in Duits

Vertrauen
vertrouwen
geloven
zelfvertrouwen
rekenen
het vertrouwen
verlassen
verlaten
weg
vertrekken
achterlaten
rekenen
vertrouwen
gaan
weggegaan
steek gelaten
gedumpt
Zuversicht
vertrouwen
zelfvertrouwen
zekerheid
hoop
zelfverzekerdheid
onbevreesdheid
het vertrouwen
Selbstvertrauen
zelfvertrouwen
vertrouwen
zelfverzekerd
zelfverzekerdheid
eigenwaarde
zelfredzaamheid
zelfbeeld
zuversichtlich
vertrouwen
zelfverzekerd
zeker
er zeker
optimistisch
hoopvol
ervan overtuigd
vol vertrouwen
vol zelfvertrouwen
erop
Glaube
denk dat
geloof
volgens
ben van mening
meen
vind dat
inziens
Glauben
denk dat
geloof
volgens
ben van mening
meen
vind dat
inziens
Vertrauens
vertrouwen
geloven
zelfvertrouwen
rekenen
het vertrouwen
Vertraue
vertrouwen
geloven
zelfvertrouwen
rekenen
het vertrouwen
Vertrau
vertrouwen
geloven
zelfvertrouwen
rekenen
het vertrouwen

Voorbeelden van het gebruik van Vertrouwen in het Nederlands en hun vertalingen in het Duits

{-}
  • Colloquial category close
  • Official category close
  • Medicine category close
  • Ecclesiastic category close
  • Financial category close
  • Ecclesiastic category close
  • Computer category close
  • Official/political category close
  • Programming category close
Ik bewonder je vertrouwen.
Ich bewundere Ihr Selbstvertrauen.
Wie geeft als eerste een blijk van vertrouwen.
Wer wird als Erster eine Geste des Vertrauens zeigen?
is dat vertrouwen.
ist das Vertrauen.
Philip verliest het vertrouwen in me.
Philip verliert den Glauben an mich.
Ik weet dat ik op je kan vertrouwen.
Ich weiß, ich kann mich auf dich verlassen.
Ik heballe vertrouwen in je.
Ich vertraue dir.
Je lijkt vertrouwen te hebben dat het werkt.
Du scheinst zuversichtlich, dass sie gewirkt hat.
Heb vertrouwen, John.
Habt Zuversicht, John.
hoe groter het vertrouwen.
desto größeres Selbstvertrauen.
Iemand die hij kon vertrouwen.
Eine Person seines Vertrauens.
Sommige mensen zetten alles wat ze vertrouwen op hun bankrekening!
Manche legen all ihr Vertrauen in ihr Bankkonto!
Je moet me vertrouwen, oké?
Du musst mir Glauben, Okay?
Je kunt niet op hem vertrouwen.
Du kannst dich nicht auf ihn verlassen.
Ik moet jou vertrouwen, maar jij mij niet?
Ich vertraue dir, aber du mir nicht?
Je moet mij vertrouwen, Clara, Ik ben echt.
Vertrau mir, Clara, ich bin echt.
Jouw vertrouwen is jammerlijk misplaatst.
Deine Zuversicht ist bedauerlicherweise fehl am Platze.
Het woord'rammen' geeft me niet veel vertrouwen, Ms Shaw.
Der Begriff"durchbrechen" klingt nicht sehr zuversichtlich, Ms. Shaw.
Ze is haar vertrouwen kwijt.
Sie hat ihr Selbstvertrauen verloren.
Het Tri-namisch Trio van Vertrouwen.
Das Trinomische Trio des Vertrauens.
Er is mij verteld dat ik je kon vertrouwen.
Es hieß, ich kann dir vertrauen.
Uitslagen: 29810, Tijd: 0.0545

Top woordenboek queries

Nederlands - Duits