Voorbeelden van het gebruik van Moest toch in het Nederlands en hun vertalingen in het Engels
{-}
-
Colloquial
-
Official
-
Ecclesiastic
-
Medicine
-
Financial
-
Computer
-
Ecclesiastic
-
Official/political
-
Programming
Ik moest toch iets terwijl jij weg was.
Bob, je moest toch studeren?
Ik moest toch zijn wie ik ben?
Lk moest toch alles opschrijven van je?
Zeker ook de donkerte hielp er aan mee, je moest toch extra opletten.
Je moest toch in het ziekenhuis gaan werken.
Ik moest toch in de auto wachten?
Ik moest toch op het pad blijven?
Maar je moest toch leren Metaalsturen, niet Aardsturen?
Ik moest toch voor de bal gaan?
Ik moest toch alles opschrijven van je?
Je moest toch vertrouwen hebben?
Ze moest toch in Londen zijn?
Ik moest toch bellen als ik dat water had onderzocht?
Bob, je moest toch studeren?
Zij moest toch in Londen te zijn?
Jij moest toch in de keuken zijn?
Je moest toch eerst om toestemming vragen.
Je moest toch over ze waken.
Je moest toch over ze waken.
