Voorbeelden van het gebruik van Moest toch in het Nederlands en hun vertalingen in het Duits
{-}
-
Colloquial
-
Official
-
Medicine
-
Ecclesiastic
-
Financial
-
Ecclesiastic
-
Computer
-
Official/political
-
Programming
Ik moest toch iets doen.
Ik moest toch naar de winkel.
Je moest toch plassen?
Iemand moest toch de verantwoording nemen.
Ik moest toch eten.
Het is… Ik moest toch afvallen.
Ik moest toch onze rotzooi opruimen?
Je moest toch alleen pissen?
Ik moest toch naar huis om uit te rusten?
Er moest toch iemand op je passen.
Ik moest toch in D.C. zijn.
Kazuki moest toch een nieuwe telefoon kopen.
Ik moest toch naar de stad.
Je moest toch stofzuigen?
Lk moest toch nadenken?
Maar ik moest toch hierheen.
Iemand moest toch het gesprek voeren.
Lemand moest toch wat doen?
Ik moest toch alleen iemand volgen?
Ik moest toch in de buurt zijn.