Voorbeelden van het gebruik van Toch in het Nederlands en hun vertalingen in het Duits
{-}
-
Colloquial
-
Official
-
Medicine
-
Ecclesiastic
-
Financial
-
Ecclesiastic
-
Computer
-
Official/political
-
Programming
Maar ik moet toch mijn verantwoordelijkheid nemen.
Ik ben toch niet volmaakt?
Toch, Kent? 205. Bibliotheek.
Toch, Beckett? Ik weet het niet?
Iedereen is toch al dood.
Toch, Ada? Onze Ada weet het?
Ja toch, Danny?
Istanbul is toch aan zijn einde.
Dat is toch wat'geloven' echt betekent?
Maar toch wil ik ze zien.
Toch wel een paar duizend.
Toch, Mr Green?
Hij zit toch in z'n kooi?
Toch, Watson? Waar woonde ze?
Mijn smoking is toch mooi, Roger?
Maar onze inspanningen zijn toch niet totaal vruchteloos geweest.
Eddie? Toch, Eddie?
Je schiet ons toch niet in de ogen?
Dat geld gaat toch niet naar de politie.
Toch waren sommigen onder de indruk van je verhaal.